• Romans
  • Verhalen
  • Reacties
  • Blog
  • Over Vincent
  • Contact
  • Nieuwsbrief
  • Romans
  • Verhalen
  • Reacties
  • Blog
  • Over Vincent
  • Contact
  • Nieuwsbrief

In verzet fragment

1

Het oog van het rund is even dom als een kippenoog, maar minder wreed. Berend zou graag de verkleefde haren op de kop aanraken en wat van de oerkracht opzuigen. Maar hij is bang voor de domheid die de enorme schedel vult. Er kan een impuls in oplaaien tot aanvallen. Vervelend dat de wisent juist nu precies achter het hekje staat. Hij had gedacht dat het beest zou ophoepelen als hij door het hek draaide, maar de vuilgele kluwen reageert niet, ook niet op het piepen van het oude ijzer. Met zijn rug tegen het hek staart hij in het bruine oog. Hij ontmoet meedogenloze passiviteit.

Het draaihek piept opnieuw. Hij doet zijn rugzak af. Na enig zoeken vindt hij een grote tak, nog met verdorde bladeren. Hij kiest een boom om dekking te zoeken, voor het geval de situatie escaleert. Daarop steekt hij na enig aarzelen de tak door het gaas, duwt tegen de vervilte vacht en trekt onmiddellijk terug. De wisent blaast als een stofzuiger, maakt een pas op de plaats en zwiept wild met zijn staart.

Van schrik wijkt hij achteruit, struikelt en valt achterover. De herfstbladeren vangen hem op. Zijn reflexen zijn nog goed; enkel een paar schrammen in zijn handpalmen. Hij schat de afstand die hij naar de boom zal moeten rennen. De palen naast het draaihek lijken stevig.

Dit is een moment om moedig te zijn. De afgelopen tijd heeft hij vaak gedacht aan de stelling van één van zijn docenten op de academie: moed moet je oefenen. Weinig mensen zijn zomaar in staat tot een moedige daad. Eerst moet je oefenen met kleine dingen.

Zover mogelijk van het hek en de smerige vacht vandaan port hij opnieuw, nu hard. Dreunend galoppeert het rund weg. Een vlaag zand raakt zijn wang. Zo’n tachtig meter verder blijft het beest staan, met de kop naar het hek gekeerd.

Even wachten, besluit Berend. Hij haalt een krentenbol uit de rugzak. Achter het hek spreidt de verlaten hei zich uit. De gedaalde zon heeft oranje achtergelaten. Tussen hem en de wisent sluipt een vlaag nevel.

Zojuist kruiste een dame op leeftijd met een hondje zijn pad. Ze lachte hem toe, en wenste hem in het voorbijgaan ‘een prettige zondag’.

Ze dacht dat ik een nette kerel ben, door mijn snor en mijn goede postuur, denkt hij, zijn mond vol deeg en krenten. Ze weet niet wie ze voor zich heeft. Anders zou ze snel weglopen, net als dat rund. Ze woont in een villa en denkt de hele dag aan hoe het hoort. Het hondje heet Olaf en moet voortdurend naar de dierenarts. Ze golft en bridget. Om vijf uur drinkt ze sherry. Ze gaat nog naar de kerk, anders had ze me geen prettige zondag gewenst. Voor mij is het altijd zondag. Voor haar ook, dat hebben we dan weer gemeen.

De wisent is in de mistvlaag verdwenen. Berend hijst de rugzak op. Het hekje piept weer. Er is weinig bewolking en de maan is al zichtbaar. Hij is opeens onzeker over de route en tast naar de opgevouwen schetsen en de zaklantaarn. Een vlaag boosheid verdrijft de angst. Het is belachelijk als hij dit niet kan. Navigeren door reeds verkend terrein, dat moet iedere verse al kunnen. Hij neemt het zichzelf kwalijk dat hij de route overdag heeft verkend, en dat de schemering hem onzeker maakt.

Hij zwoegt over het schelpenpad en ontwijkt wortels die als aders uit de grond opkronkelen. Hij krijgt het warm en bedenkt dat hij zijn regenjas kan uittrekken omdat hij niemand meer zal tegenkomen.

Bevrijd van de jas hijst hij de rugzak weer op zijn bezwete rug. Dadelijk moet hij de ANWB-paddenstoel aantreffen die naar het Leersumse Veld wijst. Het is nog licht, dus die kan hij niet voorbij zijn gelopen. Hij probeert zich te herinneren hoe lang hij de vorige keer moest lopen voor hij linksaf ging. Daarop tracht hij zich voor de geest te halen wanneer hij voor het laatst met bepakking liep. Met een PSU lijkt alles verder. Maar zijn rugzak weegt veel minder dan een uitrusting.

Hij heeft zich afgevraagd wat hij moet zeggen als hij een boswachter of een ander soort handhaver zal tegenkomen. Dat ze hem zullen fouilleren is niet erg waarschijnlijk. Maar waarom heeft hij die rugzak? Kamperen mag hier niet. Gewoon het erop gooien dat hij verdwaald is en de kortste weg vragen naar de bewoonde wereld. Met zijn leeftijd past hij niet in een daderprofiel.

In een bocht van het pad staat de paddenstoel. Instinctief versnelt hij, alsof het ding opeens zou kunnen verdwijnen. Een plotselinge weekheid neemt bezit van zijn benen. Hij merkt dat hij hijgt. Ergernis vlamt op. Vijf jaar geleden rende hij nog door het park en was hij trots op zijn conditie. En nu is zelfs gewoon lopen met bepakking te zwaar.

Hij gaat op de paddenstoel zitten. Hij heeft nog nooit op zo’n wegwijzer gezeten, en het is redelijk comfortabel. Het heet ‘stoel’ dus het mag best, denk hij. Mijn moeheid komt door de spanning. Ik heb al een flink eind achter de rug en vannacht kon ik niet slapen. Moed moet je oefenen. Als ik dit niet kan, ben ik een natte krant.

Wanneer zijn adem is gezakt gaat hij het smalle paadje in dat even verderop vol met schapenkeutels ligt. De onregelmatige bodem is verraderlijk, en hij let erop dat hij zijn benen voldoende optilt om struikelen te voorkomen. Een gebroken pols kan alles bederven, een gebroken heup is fataal. Daarginds is al de omgevallen boom op stakerige takken die op een grote spin lijkt.

Donkergrijs vervangt het donkerblauw. Uit het bos aan zijn rechterhand stijgt langdurig geratel, onderbroken door korte pauzes. Dat kan een nachtzwaluw zijn. Boven het open veld krioelen kleine gedaantes, waarschijnlijk vleermuizen. Hij bedenkt dat zijn timing perfect is. Er is nog voldoende zicht om de locatie te bereiken.

Het pad stijgt. Bovenop de heuvel staat een eenzame boom, spookachtig in het mistige uitspansel, midden op de bruin geworden hei. Daarachter zal hij de stiltebank vinden, op het stilste plekje van Nederland. Onwillekeurig versnelt hij en zijn hart klopt voelbaar. Hij maant zichzelf tot kalmte. Hij zal nog uren moeten wachten.

Het pad daalt. In een bocht ontmoet hij de bank. Hij gooit zijn rugzak op de zitting, die glibberig is van de damp. Met de zaklantaarn beschijnt hij de plaquette op de rugleuning: ‘De stilte der natuur heeft veel geluiden’. Het is volgens het messing bordje een frase van de dichteres Henriëtte Roland Holst. Hij spreidt de inhoud van de rugzak op de zitting. Zijn bloemetjespak, een slaapzak, een tent, een nachtkijker en een tupperwarebakje. De slaapzak en de tent gaan weer terug in de zak, en ook het plastic bakje, waar hij voor de zekerheid twee elastieken omheen heeft gewonden.

Voor de grap zoekt hij met de kijker het veld af. Tot zijn verrassing ontdekt hij bij de bosrand aan de overkant een paar oplichtende vlekken. Het kunnen herten of reeën zijn, of runderen. Hij denkt weer aan de wisent. Het beeld van de hond in Libanon flitst op. Ook dieren hebben hun verantwoordelijkheid, denkt hij, voor de zoveelste keer.

Het is negentienuurachtenveertig. De toenemende kilte omhelst hem sluipend. Hij ontdoet zich van zijn kisten, controleert uit gewoonte of zijn sokken nog droog zijn en trekt zijn tenue aan. Nu is het zaak niet ongeduldig te worden en zeker tot middernacht te wachten.

© 2026 Vincent Baumgart

×